Lezing Wouter Hillaert 18-03-2009
Onze onderbuik
Waar zitten we mee? Wat broeit er onder onze huid? Wat blijft er van onze kwetsbare nachten hangen in onze leden, nadat we die afgeschrobd hebben onder de douche? Waar gaan we mee werken, terwijl we erover zwijgen in onze mails, op restaurant, door onze gsm’s, ’s avonds op de chat? Waar liggen we collectief mee in de knoop, in crisis? Kortom, wat speelt er in onze onderbuik?
Ik ben geen mens van de onderbuik. Ik heb met u alleen wat gedachten te delen. Ze zijn warrig, met veel te veel en te snel opgeschreven, maar ik ga toch proberen een punt te maken.
Mijn gedachten zijn gevoed door theater, vijf-zes-zeven keer per week. Dat heb je met theatercritici. Ontstellend hoe snel je je wereldbeeld gaat bouwen op wat zich in die zwarte doos afspeelt, onder kunstlicht, gewatteerd tegen alle geluiden van buiten. Een mens komt nog zo weinig onder de mensen, in de dagelijkse stroom van de dingen. Het theater? Een gat in de tijd en de werkelijkheid. Net daarom kan theater de illusie hooghouden dat het meer vertelt dan die werkelijkheid, dat het uitspreekt wat elders verzwegen wordt: in onze mails, op restaurant, door onze gsm’s, ‘s avonds op de chat. Het theater zou onze onderbuik openrijten en ons vertellen wie we echt zijn. De ware mens, zijn ware angsten, tralalala.
Ik zag gisteren Op Hoop Van Zegen in Den Bosch, een voorstelling van Het Toneel Speelt, genomineerd voor de Toneelpublieksprijs én enthousiast onthaald door de verzamelde Nederlandse pers. Als ik ergens de onderbuik van Nederland kon vinden, dan wel daar. Ik heb geen interviews gelezen, maar ik durf er donder op zeggen dat de relevantie van Heijermans voor vandaag wel verkocht zal zijn bij gratie van de economische crisis. ‘De ellende van toen is de ellende van nu’, of zoiets. ‘We tonen hoe mensen elkaar opeten in schaarste’. ‘Als geen ander portretteert Heijermans het verlies’.
Maar wat ik zag, had heel weinig met vandaag te maken. De focus van de regie lag helemaal niet op het geld in het stuk, het enige echte thema van laat-negentiende-eeuwse dramatiek à la Strindberg, Tsjechov, Ibsen en dus ook Heijermans, wel op de eeuwige tragiek van robuuste mensen die tenondergaan in hun strijd tegen hogere, onbevechtbare krachten. In deze: de zee, de baarmoeder van Nederland. Ik herinner me het beeld van de schreeuw van Munch waarmee actrice Marisa van Eyle haar rol van eeuwig getroffen moeder afsluit. Ach en wee, de mens! Aan onze existentie is er niks te doen! Ik stel me voor dat daar de vele opgemaakte oudjes in de zaal voor gingen applaudisseren, voor ze holderdebolder pikkelend om ’t er eerst hun dure mantels uit de garderobe gingen vissen. Voor de geruststelling dat er niks aan te doen is, dat de eeuwige zee de eeuwig kleine mens altijd zal blijven overspoelen. Dat de crisis die we meemaken, gewoon het leven zelf is. Alles is onveranderbaar. Het rad van dit bestaan.
Of hoe je van een oorspronkelijk sociaal drama over uitbuiting door ongelijke financiële verhoudingen een burgerlijk stuk kan maken: door te spelen op aloude inleving in onze tragische existentie, losgemaakt van de maatschappelijke verhoudingen die Heijermans in zijn tijd wou weerspiegelen. Zo het theater hier onze onderbuik openreet, konden we die open wonde enkel weer doen genezen door een potje te zitten grienen. Troost.
Wat wil ik zeggen over onze onderbuik, over waar we mee in crisis zijn? Drie dingen.
1) Onze identificatie met het lage. Ik vond het heel raar hoe een goed in de watten zittend bourgeoispubliek anno 2OO9 zo kon opgaan in een onderklassestuk van 19OO. Nochtans valt die identificatie met het lagere volkje me wel vaker op, bijvoorbeeld in de Vlaamse film. Veel vaker dan je zou verwachten krijg je sociale stumperds te zien: Iedereen Beroemd, Aanrijding in Moskou, Vidange Perdu. Ik geloof dat Wilde Mossels een Nederlandse tegenhanger is. Ze weerspiegelen alvast niet de werkelijkheid waarmee we pakweg op onze luchthavens buitenlanders onthalen. Daar schreeuwt het van innovation en creating the future. In de kunsten houden we van laag en geschonden, een evolutie die human interest op tv heeft ingezet. En die zich nu doorzet in een algehele ontkenning van wie zich verheft, wat meer weet, dieper doordenkt. Daar ligt de crisis. De gewone man, het kleine perspectief, is de norm geworden. De democratie, onze overwinning op een louter verticale organisatie van de maatschappij, is doorgeslagen naar een wereld waarin alles horizontaal en zelfs flat geworden lijkt. In de media, in de politiek, steeds meer ook op theater. Op hoop van zegen is een voorstelling die gemaakt is omdat het publiek het zo wil. In onze onderbuik speelt maar één gevoel: angst om meer te willen zijn, als elitair ingeschat te worden, een hoger standpunt te proberen uitleggen. Liever laven we ons aan het kleine. Aan vloekend Kniertje.
2) Onze hang naar het bekende. De populariteit van Op hoop van zegen lijkt ook gewoon gestoeld op nostalgie. Onze hang naar hoe het was. Zo is het geënsceneerd, zo wordt het gespeeld, zo luiden ook de argumenten van Het Toneel Speelt tegen de weinige publiekskritiek die je op hun site kan lezen over te veel gevloek en geschreeuw op scène. “Zo staat het ook in het origineel, hoor, we zullen je de oorspronkelijke tekst opsturen.” Vanuit onze onderbuik, zelfs door onze gsm’s en op de chat, hijgen we collectief naar onze roots: het oude Nederland in zijn heroïsche strijd tegen het water, het oude boeren-Vlaanderen zonder asielzoekers en te luide allochtonen. Toen het Frans nog boos was, want de taal van de upperclass. Toen we zelf nog de underdog konden zijn. We lijken gewoon niet in het reine gekomen met de vooruitgang die we al die tijd hebben gewonnen op het water. Al die innovation, al dat experimenteel toneel. Geef ons terug het oude bekende, het vertrouwde. Daar ligt de crisis: onze drang naar restauratie, naar de oude natie, naar eigen gedeelde iconen als Op hoop van zegen.
Ben ik aan het zagen? Ik zal eens iets nieuws proberen vertellen.
3) Ons defaitisme. Wat een rare titel toch voor een voorstelling die eindigt in complete duisternis: ‘op hoop van zegen’. Het was een paar seizoenen geleden erger, maar je ziet het vaak op toneel: een soort uitzichtsloze moedeloosheid, een ‘alles is naar de knoppen’-attitude, die -en dat is belangrijk- daar ook stopt, zonder alternatief, zonder aanzet tot handelen, zonder lichtpunt aan het einde van de tunnel, zonder krokussen door de sneeuw. Het enige wat je kan doen, is je schouders ophalen. Laatst Krapp’s laatste band van Johan Simons: alles naar de knoppen. Of Dood Paard in Ritter Dene Voss: alles naar de knoppen. Niet er geen geen genotsvolle voorstellingen uit kunnen komen, maar dat is er net zo decadent aan: we laven ons aan defaitisme. Op hoop van zegen, door zijn sympathie voor de eeuwige tragiek van de moeder, is de viering van de verzetsloosheid. De crisis zit in onszelf: we geloven niet meer in de veranderbaarheid van de wereld. Te complex, te globaal, te versplinterd. Barack Obama toonde ons hoe we het wel nog zouden kunnen, maar ik vrees dat hij binnen het jaar collectief geslachtofferd wordt, zoals met alle helden uiteindelijk gebeurt. We lijken ons te graag te koesteren in de illusie dat het onmogelijk is de wereld te scheppen naar je eigen hand, tendensen naar het lage en naar vroeger om te keren. Of hoeveel van ons zouden zich aansluiten bij een politieke partij waar ze achter kunnen staan? Een actie opstarten en er mensen voor winnen? Mensen met een andere mening met hand en tand proberen overtuigen van het tegendeel? Optimisme en verzet zijn voor naïevelingen geworden, voor de Rachel Corries van deze wereld. Ongelijkheid houden we het liefst uit onze ooghoek, zeker als het op een gitaar pingelt aan het station. In een betere materiële toekomst geloven we alleen nog voor onszelf. ‘De vis wordt duur betaald.’
Net daarom hebben we de huidige crisis tot een crisis uitgeroepen. We kunnen gewoon niet om met de idee dat de sociale ellende en de uitzichtloosheid die we zo graag zien op toneel ook onze eigen werkelijkheid zouden kunnen treffen. We hebben het er zo naar gemaakt dat we gewoon te veel te verliezen hebben, dat is onze crisis. Terwijl, om nu eindelijk zelf ook even positief te worden: er kan toch maar weinig misgaan? Ik kan ervan getuigen: er valt perfect te overleven op één laptop, één gsm, één plooifiets, een dagelijks pak koeken en een bed ergens in Europa. Al de rest is surplus, botox: dat restaurant, die douche, de chat. Het enige antwoord op al onze crisissen, kortom, is deze economische crisis. Zo beelden de Chinezen trouwens het woord crisis af: met twee bezemvegen. Eén staat voor gevaar, één voor opportuniteiten. Laten we de opportuniteiten zien. Als de crisis zich duchtig doorzet, zullen er weer hoge ideeën ontwikkeld én verkocht moeten worden. Er zal weer vooruit gekeken moeten worden. Mét geloof in veranderlijkheid. Het theater zal weer over de echte onderbuik mogen gaan: de onderbuik van de maatschappij, met zijn achterkant niet als een existentiële spiegel, maar als het resultaat van sociale uitsluiting van het lage door het hoge.
Daarover bedacht ik trouwens een ironisch slotconcept dat ons tot handelen zou drijven, maar ik vond de tijd noch de kloten om het ten uitvoer te brengen. Ik zou voor tweehonderd euro een dakloze junk uit de straten van Amsterdam uitkopen en hem in deze zwarte doos binnenleiden, en hem laten afsluiten met de volgende woorden voor mijzelve en jullie allemaal:
“Ze zeggen dat het crisis is. Het stond in mijn kranten. Ik moet zeggen: ik heb er mijn slaap niet voor gelaten. Crisis is het gevoel dat pas ontstaat wanneer de beteren het minder best dreigen te krijgen, of zelfs even slecht als zij die het nooit goed hebben gehad. ‘Het drama van de dubbele woonlasten’, kopten mijn kranten gisteren. ‘Het drama van de dubbele woonlasten’. Crisis is een luxeproduct. Zolang je de tijd en de ruimte krijgt om erover te debatteren, is hij nog niet echt begonnen. Crisis begint waar je stem stopt. Waar je gaat zwijgen of schreeuwen. Waar je stem niet langer wordt gehoord. De ware crisis speelt zich altijd buiten de kranten af, buiten voorstellingen en debatavonden over de crisis. De crisis is waar jullie niet zitten.“